| Signalement |
| |
|
|
Oorsprong: |
China, Zuid-Oost Groot-Britannië. |
| |
|
|
Uiterlijk: |
Haan: kruin, rug, keel, snavel, poten: geel;
stuit, borst, buik: rood;
staart: bruin en zwart.
Hen: bovenzijde roestbruin en zwart;
felle bleekgele strepen aan onderzijde. |
| |
|
|
Afmetingen: |
ca 100-110 cm, waarvan 75-80 cm staart. Hen: 65 cm, waarvan 37 cm staart.
|
| |
|
|
Geslacht
onderscheid: |
De haan is felgekleurd, de hen is roestbrui met zwart. |
| |
|
| |
| In
het wild |
| |
|
| Biotoop: Bos en woud, jungle. |
| |
| Eigenschappen |
| |
|
| Een groot deel van de dag brengt de goudfazant op de grond door om naar voedsel te zoeken. Zowel de mannetjes als de vrouwtje zijn uitgerust met sterke klauwen die erg geschikt zijn om mee te krabben en te schrapen. Ze doorwoelen de losse bovenlaag van de bosgrond op zoek naar zowel insecten, wormen en larven als naar sappige wortels en zaden. Met hun sterke snavels pikken ze naar ieder hapje. Ook gebruiken ze hun snavel om de bladeren, knoppen en bloemen van kleine struiken af te happen, met name van de dwergbamboe. |
| |
|
| Gedrag |
| |
|
De haan kan met meerdere hennen gehouden worden en ze zijn winterhard. Ook het samenhouden van goudfazanten met kwartels en lachduiven gaat goed.
|
| |
| Verzorging |
| |
|
De goudfazant is een grote vogel en heeft veel bewegingsruimte nodig. Daarom is een ruime voliere noodzakelijk. De goudfazant leeft op de bodem en als voedsel dient scheuten, bessen, zaden, kruiden, bamboe, insekten, wormen, slakken, slakken, groenvoer, gemengd graan. en standaard fazentenkorrel op het menu te staan. |
| |
| De kweek |
| |
|
In juli en augustus gebruiken hanen hun kleurenpracht om een partner in te palmen.
Een haan voert een ingewikkeld paringsritueel uit.
Hij trippelt in grote cirkels om de hen heen en snijdt haar de pas af als ze probeert te ontsnappen.
Als de hen stil blijft staan, laat de haan zijn halskraag uitwaaieren en spreidt hij zijn staartveren met de scharlakenrode punten.
Hij gaat net zo lang door met om haar heen te cirkelen tot ze het opgeeft.
Tijdens het paren pikt de haan het vrouwtje hard op haar kop, waarbij hij vaak veren verwijdert.
Na afloop wringt de hen zich los en de haan verlaat haar meteen.
Het grootbrengen van de jongen laat hij helemaal aan haar over.
Na een eenvoudig nest te hebben gebouwd in dicht struikgewas, legt de hen tot vijftien roomwitte eieren.
De volgende 22 dagen brengt ze bijna volledig door met broeden. |
| |
|